Als er een rode zakdoek aan de cafédeur hing, stopte de bus

Garage Internationaal met Hub Maessen, Theodoor Senden en Martin Colaris. © Fotograaf onbekend
Met de opkomst van het busvervoer 100 jaar geleden veranderde Limburg. Opeens konden dorpsbewoners makkelijk naar de markt in de stad. En nog belangrijker misschien; voor het werk in de mijn was een buslijn een grote uitkomst als je niet wilde verhuizen naar een kolonie onder de rook van de mijn. Een rode zakdoek meenemen was overigens wel handig.
Lokaal historicus Paul Mennens uit Beek woonde in zijn jeugd op de hoek van de Stationsstraat met de Rijksweg. Hij raakte al vroeg in de ban van de vele bussen die daar in de jaren vijftig dagelijks passeerden. De bus heeft hem nooit meer echt losgelaten; hij verdiepte zich in de opkomst van de busbedrijven in Zuid-Limburg.

250 busondernemingen

Anders dan nu reden er in de jaren vijftig nog heel veel verschillende busondernemingen. Enkele grote, maar vooral veel kleine particuliere bedrijfjes die ontstaan waren in de jaren twintig van de vorige eeuw - nu dus honderd jaar geleden. Met namen die alleen ouderen zich nog zullen herinneren: EBAD, LTM, Mulder, Cramers, De Valk, VADAH en IAO. In totaal kon Mennens 250 ondernemingen achterhalen.

Tram verliest van de bus

De bus was een eeuw geleden nog een nieuw verschijnsel van openbaar vervoer. Tot het begin 20e eeuw reden er postkoetsen en vanaf 1921 begon de Limburgse trammaatschappij met de aanleg van tramlijnen. Dat bleek geen succes: de trams zouden de concurrentie met de tegelijkertijd opkomende busbedrijven niet overleven. De bussen konden immers dorpen en steden via een fijnmazig netwerk met elkaar verbinden. Dat was voor de tram een onhaalbare opgave.

Vaste dienstregeling

In de jaren 1923-1924 begonnen de busbedrijven te rijden volgens vaste dienstregelingen ontdekte Mennens. "Honderd jaar geleden kwamen de geregelde diensten. Ik denk dat de komst van de staatsmijn Maurits daar mee te maken had." Die mijnwerkers moesten immers op vaste tijden aan hun sjiecht beginnen. Het leverde de busbedrijven gouden tijden op. Mennens: "In 1953 waren er in Limburg 12.000 mijnwerkers. Dus daar zijn honderden bussen voor nodig."

Pendelen

Door de komst van buslijnen zou de planologische opzet van de nieuwe mijnstreek rond Geleen een ander karakter krijgen dan de oudere Oostelijke Mijnstreek. De mijnwerkers gingen met de bus pendelen tussen hun woonplaats en de mijn Maurits in Geleen. Dat was een groot verschil met de oudere mijnen in de Oostelijke Mijnstreek. Toen die eind 19e eeuw en begin 20e eeuw in exploitatie genomen werden, waren er nog geen bussen. Dus moesten de mijnwerkers rond Heerlen, Kerkrade en Brunssum verhuizen naar koloniën bij de mijn.
Chauffeur Lei Collard met NAG Imparator © Onbekend

Rode zakdoek

Vanaf 1924 reden bussen dus in vaste dienstregelingen door het zuiden van Limburg. Reizigers gingen er mee naar de markt, op familiebezoek en vooral naar hun werk in de mijn. Vaste halteplaatsen waren vooral in cafés langs de routes. De mijnwerkers konden het wachten daar aangenaam maken met een fris glas bier dat na het stoffige werk ondergronds weldadig smaakte. Om te voorkomen dat ze de bus zouden vergeten, was een oplossing bedacht. Dat hoorde Paul Mennens van een oud-chauffeur. "Chauffeur Lei Collard reed tussen Sittard en Maastricht en had stopplaatsen bij cafés. Als daar een rode zakdoek aan de deur hing, wist hij dat hij moest stoppen. Anders reed hij door. Bushaltes waren er sowieso meestal bij cafés, want daar kwamen veel mensen."
De autobusondernemingen hebben tot eind jaren '60 gefloreerd. Na de sluiting van de mijnen ging het achteruit. In 1979 kwam het eerste provinciale bedrijf VSL, een voorloper van Arriva.
Lezing
Donderdag houdt Paul Mennens in Schimmert een lezing over zijn boek 'Rode zakdoek, bus stopt'.

💬 WhatsApp ons!
Heb jij een tip of opmerking voor de redactie? Stuur ons een bericht via WhatsApp of stuur een mail naar redactie@l1.nl!